Preview

Wanneer ik een keer naar judo fiets, zie ik op een elektriciteitskast een affiche hangen in felle kleuren. Het is vrolijk. Het beeld licht helemaal op als er een auto langskomt. Full Circle staat er bovenin, daaronder het silhouet van een danseres en een gitaar. Zaterdagavond acht uur in het Dirkshuis. Ik wil erheen. Het mag van tante Loes. ‘Niet te laat thuiskomen.’

Het zaaltje midden in de stad is halfdonker en niet erg vol. Er beginnen belletjes te rinkelen. Ting, ting, ting, ting, tik, tak, tik, tak, bwham, bam, boem, baham. Toedoediedah, pampadoem. Een enorme felle lamp knippert als een gek, waardoor je telkens even de vormen van de mensen ziet. Bij de volgende flits staat iedereen net iets anders. Je gaat erop meebewegen. Flits, tak, flits, tik, tiededoedie, flits, tik bham. De muziek gaat dwars door me heen, ik voel het grommen, bahop, bahop. Het knettert om me heen. Sjing, tsang, tsoem. De zang schreeuwt erbovenuit: liwaliwitjsihooe, baboewohwoeh. Pats.

Ik spreek een meisje dat het net als ik helemaal geweldig vindt. Ze vraagt of ik wat wil roken. Ik grijns en knik van nee. Ik rook nog niet.

Juichend fiets ik naar huis terug. De muziek dendert nog uren door mijn kop. Het geluid van vliegtuigen die opstijgen en landen, precies op de maat. Het geluid van de buizen in het tehuis. Dit wil ik ook.

Iedere vrije minuut oefen ik nu mijn gitaarspel – op zolder, want Jaap werd er gek van. Soms kan ik al een stukje meespelen met een plaat. Eerst een enkele noot die ik herken en die ik op de gitaar kan vinden, dan nog een en nog een. Het is wel erg slecht voor de platen, want ik moet telkens de naald terugzetten.